Wijzigingsvoorstel wet omzetbelasting 1997 artikel 21

Updated: Feb 8, 2019

Wet omzetbelasting 1997

HOOFDSTUK VI

NAHEFFING

Artikel 21

Lid 1 aanvulling Lid 2 aanvulling Lid 3 vervalt Lid 4 vervalt Lid 6 vervalt Lid 7 vervalt. Lid 8 vervalt Lid 9 vervalt Lid 10 vervalt. Artikel 53 betreffende Invorderingen is niet van toepassing. En Hoofdstuk IX van deze wet vervalt.


1. Omzetbelasting die op aangifte behoort te worden voldaan en die niet of slechts gedeeltelijk is betaald, of omzetbelasting die te veel in aftrek is gebracht, kan bij aanslag worden nageheven.

1.1. Voorwaarden voor de naheffingsaanslag Voorwaarden voor de naheffingsaanslag kunnen uitsluitend cumulatief aanwezig worden geacht: a: wanneer de inspekteur na een gedegen, op cijfermatig gecalculeerd gebaseerd onderzoek, tot een gemotiveerde conclusie van de naheffingsaanslag is gekomen en; b: wanneer het cijfermatig gecalculeerd onderzoek van de inspekteur resulteert in een afwijking van niet meer dan 175% van het aangegeven tevens betaald bedrag door de belastingplichtige, en; c: wanneer de inspekteur de belastingplichtige ter kennis heeft gesteld over zijn gemotiveerde bevindingen. De leden 1.2, 1.3, 1.4 en 1.5 van dit artikel zijn van toepassing.

1.2. Termijn voor de naheffingsbevoegdheid De bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van drie jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.

1.3. Vereisten ter kennis stelling

a. Aanvang De ter kennis stelling gaat in op het moment dat de inspekteur zich ervan heeft vergewist dat de belastingplichtige op de hoogte is van de ter kennisstelling. Hiervoor dient de belastingplichtige of diens vertegenwoordiger of een ander die bevoegd is tot ontvangst van de ter kennis stelling, te tekenen voor ontvangst van de ter kennisstelling.

b. Inhoud De inspekteur vemeldt in de ter kennisstelling en tevens op het aanslagbiljet: - de naam van de inspekteur en diens contactgegevens, voorzien van dag- en handtekening en stempel van de belastingdienst. - de reden of inhoud van de ter kennisstelling met weergave van hetgeen vastgelegd in lid 1.1 a en b. - de mogelijkheid tot overleg of het weerleggen van het door de inspekteur vastgesteld verschil met de belastingplichtige.

1.4. Termijn van bezwaar voor belastingplichtige a: De belastingplichtige kan binnen een termijn van 60 dagen bezwaar aantekenen bij de inspekteur, te rekenen vanaf de dag dat er voor ontvangst van de ter kennisstelling is getekend. b. De belastingplichtige geeft gemotiveerd aan waarom oneens te zijn met de bevindingen van de inspekteur, zo nodig met overleg van bijlagen omvattende een boekhoudkundig jaarrekening en overige bescheiden die als bewijs kunnen dienen. Indien uit de bewijsstukken van de belastingplichtige blijkt dat op correcte wijze aan de betalingsplicht is voldaan, vervalt de bevoegdheid tot verdere naheffing.

1.5. Verloop termijn van bezwaar voor belastingplichtige a. Indien de termijn voor het aantekenen van bezwaar voor de belastingplichtige is verlopen dient de inspekteur het proces van de Burgerlijke rechtsvordeirng in acht te nemen inhoudende, het doen toekomen van een aanmaning en ingebrekestelling, en uiteindelijk het instellen van een rechtsvordering bij de daartoe bevoegde rechter.

Aanmaning b. Indien de belastingplichtige binnen de aangegeven termijn, genoemd in 1.4 onder a van dit artikel geen gehoor heeft gegeven, stelt de inspekteur binnen een daaropvolgende periode van 21 dagen een aanmaning op ter verzending naar de belastingplichtige. De inspekteur vemeldt in de aanmaning: - de naam van de inspekteur en diens contactgegevens, voorzien van dag- en handtekening en stempel van de belastingdienst - de reden of inhoud van de aanmaning waarbij de belastingplichtige in de gelegenheid gesteld wordt om binnen een termijn van twee weken te ageren. - de mogelijkheid tot overleg of het weerleggen van het door de inspekteur vastgesteld verschil met de belastingplichtige. Indien de inspekteur de termijn van 21 dagen overschrijdt, vervalt de bevoegdheid tot naheffing.

Ingebrekestelling c. Indien de belastingplichtige binnen de aangegeven termijn, genoemd 1.5 onder b van dit artikel geen gehoor heeft gegeven aan de aanmaning, stelt de inspekteur binnen een daaropvolgende periode van 21 dagen een ingebrekestelling op ter verzending naar de belastingpichtige. De inspekteur vemeldt in de ingebrekestelling: - de naam van de inspekteur en diens contactgegevens, voorzien van dag- en handtekening en stempel van de belastingdienst - de reden of inhoud van de ingebrekestelling waarbij de belastingplichtige in de gelegenheid gesteld wordt om binnen een termijn van twee weken te ageren. - de mogelijkheid tot overleg of het weerleggen van het door de inspekteur vastgesteld verschil met de belastingplichtige. Indien de inspekteur de termijn van 21 dagen overschrijdt, vervalt de bevoegdheid tot naheffing.

2. Indien het niet of slechts gedeeltelijk betalen van de verschuldigde omzetbelasting het gevolg is van opzet of grove schuld, vervalt de bevoegdheid tot naheffing eerst door verloop van vijf jaren.

2.1. Voorwaarden voor opzet of grove schuld Opzet of grove schuld kunnen uitsluitend cumulatief aanwezig worden geacht: a: wanneer de inspekteur na een gedegen, op cijfermatig gecalculeerd gebaseerd onderzoek, tot een gemotiveerde conclusie van grove schuld of opzet is gekomen en; b: wanneer het cijfermatig gecalculeerd onderzoek van de inspekteur resulteert in een afwijking van meer dan 175% van het aangegeven tevens betaald bedrag door de belastingplichtige, en; c: wanneer de inspekteur de belastingplichtige ter kennis heeft gesteld over zijn gemotiveerde bevindingen. De leden 2.2, 2.3, 2.4 en 2.5 van dit artikel zijn van toepassing.

2.2. Termijn voor opzet of grove schuld De inspekteur dient in het geval van opzet of grove schuld de belastingplichtige uiterlijk voor het verstrijken van de eerste helft van het derde kalenderjaar ter kennis te stellen, te rekenen vanaf het moment de belastingplichtige aan de aangifteplicht tevens betalingsplicht heeft voldaan. Indien niet aan de termijn van de ter kennisstellingsplicht voor grove opzet of grove schuld is voldaan, vervalt het verloop van de daaropvolgende twee jaren voor de bevoegdheid tot naheffing.

2.3. Vereisten ter kennis stelling

c. Aanvang De ter kennisstelling gaat in op het moment dat de inspekteur zich ervan heeft vergewist dat de belastingplichtige op de hoogte is van de ter kennisstelling. Hiervoor dient de belastingplichtige of diens vertegenwoordiger of een ander die bevoegd is tot ontvangst van de ter kennisstelling, te tekenen voor ontvangst van de ter kennis stelling.

d. Inhoud De inspekteur vemeldt in de ter kennisstelling en tevens op het aanslagbiljet: - de naam van de inspekteur en diens contactgegevens, voorzien van dag- en handtekening en stempel van de belastingdienst. - de reden of inhoud van de ter kennisstelling met weergave van hetgeen vastgelegd in lid 3.1 a en b. - de mogelijkheid tot overleg of het weerleggen van het door de inspekteur vastgesteld verschil met de belastingplichtige.

2.4. Termijn van bezwaar voor belastingplichtige a: De belastingplichtige kan binnen een termijn van 60 dagen bezwaar aantekenen bij de inspekteur, te rekenen vanaf de dag dat er voor ontvangst van de ter kennis stelling is getekend. b. De belastingplichtige geeft gemotiveerd aan waarom oneens te zijn met de bevindingen van de inspekteur, zo nodig met overleg van bijlagen omvattende een boekhoudkundig jaarrekening en overige bescheiden die als bewijs kunnen dienen. Indien uit de bewijsstukken van de belastingplichtige blijkt dat op correcte wijze aan de betalingsplicht is voldaan, vervalt de bevoegdheid tot verdere naheffing.

2.5. Verloop termijn van bezwaar voor belastingplichtige a. Indien de termijn voor het aantekenen van bezwaar voor de belastingplichtige is verlopen dient de inspekteur het proces van de Burgerlijke rechtsvordering in acht te nemen inhoudende, het doen toekomen van een aanmaning en ingebrekestelling, en uiteindelijk het instellen van een rechtsvordering bij de daartoe bevoegde rechter.

Aanmaning b. Indien de belastingplichtige binnen de aangegeven termijn, genoemd in 3.4 onder a van dit artikel geen gehoor heeft gegeven, stelt de inspekteur binnen een daaropvolgende periode van 21 dagen een aanmaning op ter verzending naar de belastingplichtige. De inspekteur vemeldt in de aanmaning: - de naam van de inspekteur en diens contactgegevens, voorzien van dag- en handtekening en stempel van de belastingdienst - de reden of inhoud van de aanmaning waarbij de belastingplichtige in de gelegenheid gesteld wordt om binnen een termijn van twee weken te ageren. - de mogelijkheid tot overleg of het weerleggen van het door de inspekteur vastgesteld verschil met de belastingplichtige. Indien de inspekteur de termijn van 21 dagen overschrijdt, vervalt de bevoegdheid tot naheffing.

Ingebrekestelling c. Indien de belastingplichtige binnen de aangegeven termijn, genoemd 3.5 onder b van dit artikel geen gehoor heeft gegeven aan de aanmaning, stelt de inspekteur binnen een daaropvolgende periode van 21 dagen een ingebrekestelling op ter verzending naar de belastingpichtige. De inspekteur vemeldt in de ingebrekestelling: - de naam van de inspekteur en diens contactgegevens, voorzien van dag- en handtekening en stempel van de belastingdienst - de reden of inhoud van de ingebrekestelling waarbij de belastingplichtige in de gelegenheid gesteld wordt om binnen een termijn van twee weken te ageren. - de mogelijkheid tot overleg of het weerleggen van het door de inspekteur vastgesteld verschil met de belastingplichtige. Indien de inspekteur de termijn van 21 dagen overschrijdt, vervalt de bevoegdheid tot naheffing.

3.4.1.a Kwijtschelding of inmindering Indien de financiële omstandigheden van de belastingplichtige van dien aard zijn veranderd dat het van de belastingplichtige naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet verwacht kan worden, het geheel of gedeeltelijk bedrag te kunnen voldoen, dient de inspekteur naar de gewijzigde financiële omstandigheden van de belastingplichtige het verschuldigde bedrag in mindering te brengen of kwijt te schelden.

3.4.1.b Gewijzigde financiële omstandigheden Van gewijzigde financiële omstandigheden is sprake wanneer de financiële situatie van de belastingplichtige in diens nadeel is gewijzigd en wel; a. wanneer de economische situatie in het land de algemene koopkracht heeft doen verminderen. b. wanneer het bedrijf van de belastingplichtige niet langer actief is of niet meer bestaat, en al dan niet is uitgeschreven uit het register van de Kamer van Koophandel en Fabrieken. c. wanneer de belastingplichtige door gewijzigde omstandigheden in loondienst is waarvan het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet gevergd kan worden dat de belastingplichtige geheel of gedeeltelijk kan voldoen aan de betalingsplicht. d. wanneer de belastingplichtige door arbeidsongeschiktheid niet in staat is om geheel of gedeeltelijk te kunnen voldoen aan de betalingsplicht. e. wanneer een of andere omstandigheid door de belastingplichtige onomstotelijk kenbaar of aangetoond kan worden dat de financiële omstandigheid van de belastingplichtige daadwerkelijk ten nadele van de belastingplichtige is gewijzigd.

4. De Minister stelt bij beschikking het formulier van het aanslagbiljet vast.

5. De Inspekteur brengt de vastgestelde aanslagen op kohier, met inachtneming van de termijnen genoemd in lid 2 en lid 3 van deze wet.

6. De Inspekteur stelt de Ontvanger onmiddellijk in kennis van de door hem op kohier gestelde aanslagen, met inachtneming van de termijnen genoemd in lid 2 en lid 3 van deze wet.

7. Nadat de aanslagen op kohier zijn gebracht, wordt aan de belastingplichtige een gedagtekend aanslagbiljet uitgereikt of toegezonden, met inachtneming van de termijnen genoemd in lid 2 en lid 3 van deze wet.

Memorie van toelichting

Motivering wijziging artikel 21 en artikel 53

1. Het bewerkstelligen van rechtszekerheid voor wat betreft:

De inkomsten voor de staat; de ruimte voor de inspekteur om de bedragen te kunnen schatten en ambsthalve te kunnen verminderen laat ruimte open voor corruptie, omdat er geen enkel bewijsbare, meetbare calculatie plaatsvindt. Hierdoor zijn de gecalculeerde stappen die de inspekteur heeft genomen moeilijk traceerbaar voor zowel de staat als de belastingplichtige. De regel dat de belasting inspekteur gewoon kan schatten werkt een hoge mate van onrechtvaardigheid in de hand voor de belastingplichtige omdat de belasting inspekteur puur op gevoel iemand een bepaald bedrag kan aanslaan zonder een duidelijk onderbouwd rechtvaardigingsgrond. Op zo een manier kunnen belasting inspekteurs die een persoonlijk probleem hebben met een belastingplichtige die onterecht in problemen brengen of tenminste in diens tijd gaan zonder duidelijke rede. De inspekteru heeft ook geen incentive om daadwerkelijk te werken.


2. Duidelijke contact en/of aanspreekpunten voor de belastingplichtige;

Er wordt geen naam en /of contactgegevens vermeld op het aanslagbiljet waardoor de belastingplichtige in de praktijk uren, soms dagen verliest aan alleen het achterhalen van de verantwoordelijke belasting inspekteur. Het gaat aan de produktiviteit van de belastingplichtige. Hierop aansluitend verloopt de tijd om te willen ageren tegen de aanslag, maar het kan gewoon niet omdat er geen aanspreekbare punten zijn. De praktijk leert ook dat wanneer men eenmaal de verantwoordelijke inspekteur heeft kunnen bereiken, en hierop aansluitend een afspraak gemaakt wordt om de zaak te bespreken, het voorkomt dat de inspekteur gewoon niet aanwezig is. Soms 2 tot 3x toe.


3. Er is een gecategoriseerd termijn voor afhandeling vastgelegd voor de belasting inspekteur om zodoende rechtszekerheid te bieden aan de belastingplichtige. Het is van eminent belang dat de belastingplichtige de zekerheid heeft dat de zaken binnen een bepaald termijn als afgehandeld beschouwd mogen worden.


4. De naheffing omvat ook bedrijven die jaren lang al niet meer actief zijn.


5. In de praktijk komt het veelal voor dat verantwoordelijken van de belastingdienst zelf, stukken van de belastingplichtigen vaak genoeg verleggen en daarvoor moet de belastingplichtige weer in eigen tijd en energie besteden om opnieuw de stukken in te dienen.


Conclusie

Als de staat de instantie is die de burger van rechtszekerheid verzekert en meent de burger tegen onrechtvaardigheid te beschermen dan dient deze rechtszekerheid op de eerste plaats tegen de staat zelf gewaarborgd te zijn. De burger dient ook te weten waar die aan toe is, en vandaar de vereisten dat de staat gebonden wordt aan tijdlijnen en een duidelijk omlijnde werkwijze, waarbij degenen die werkzaam zijn voor de belastingdienst verantwoordelijk worden gesteld voor hun eigen aandeel zodat de uitkomsten voor een ieder duidelijk en kenbaar kunnen zijn. Controle door middel van transparantie wordt voor elke stakeholder hierdoor vergemakkelijkt en corruptie wordt drastisch omlaag gebracht.



© 2023 by PVT Suriname.